Dank voor uw interesse in het TAPASS-onderzoek. Aanmelden is inmiddels niet meer mogelijk. De resultaten van het onderzoek zijn uitgebreid beschreven in het proefschrift van Renate van de Ven (CVA) en Jessika Buitenweg(gezonde senioren).

Klik hier voor het proefschrift met de resultaten bij mensen die een beroerte hebben doorgemaakt.

Hieronder worden de resultaten van het hele TAPASS-onderzoek voor u samengevat:

Samenvatting resultaten TAPASS-onderzoek

Door de vergrijzing neemt het aantal ouderen in Nederland toe. Hiermee groeit ook het aantal mensen met ouderdomsziektes, zoals een beroerte. Een beroerte ontstaat door hersenbeschadiging na het verstoppen of breken van een bloedvat in de hersenen. Mensen die een beroerte hebben doorgemaakt, hebben vaak een verlamming, afasie en cognitieve stoornissen (problemen in het denkvermogen), zoals geheugenproblemen of verminderde aandacht. Ook de zogeheten executieve functies zijn vaak aangedaan. Dit zijn denkprocessen die nodig zijn bij het doelgericht uitvoeren van een taak (zoals plannen, schakelen tussen taken en uitstellen van gedrag). Deze stoornissen en andere cognitieve klachten kunnen geruime tijd aanhouden, zelfs lang nadat de beroerte is ontstaan. Ook bij normale, gezonde veroudering komen problemen in het denkvermogen voor. Bij zowel mensen met een beroerte als bij gezonde veroudering hebben deze veranderingen vaak een negatieve invloed op de kwaliteit van leven. Daarom hebben we onderzocht of een computergestuurde cognitieve training, naast de gangbare (medische) zorg kan bijdragen aan het herstel na een beroerte en bij gezonde veroudering.

Voor dit onderzoek hebben wij het TrainingsProject Amsterdamse Senioren en Stroke (TAPASS) opgezet. We hebben twee trainingsprogramma’s ontwikkeld, namelijk een interventietraining en een controletraining. Beide trainingen bestonden uit 58 sessies van een half uur die werden gedaan in een periode van 12 weken. De interventietraining bestond uit negen taken in de cognitieve domeinen aandacht, werkgeheugen en redeneren. Elke taak bestond uit meerdere niveaus van oplopende moeilijkheid. Elke 3 minuten werd er een taak van een ander cognitief domein gepresenteerd om zo cognitieve flexibiliteit te stimuleren. Bij de groep gezonde oudere deelnemers is tevens een derde programma toegevoegd met dezelfde taken, waarbij elke 10 minuten naar een andere taak werd geschakeld. De controletraining, daarentegen, bestond uit vier taken die niet het executief functioneren probeerden te trainen. Cognitieve flexibiliteit werd niet getraind, aangezien iedere taak 10 minuten werd gedaan, voordat de volgende taak werd gepresenteerd. Daarnaast was er binnen de groep mensen met een beroerte een wachtlijstgroep die geen training deed tijdens het onderzoek.

Aan het onderzoek deden 97 deelnemers mee die een beroerte hadden gehad en 139 gezonde oudere mensen. Ze werden random toegewezen aan de drie groepen (interventietraining, controletraining en wachtlijst voor mensen met een beroerte; twee interventietrainingen en een controletraining voor gezonde oudere mensen). Objectief cognitief functioneren werd gemeten met een aantal computertaken en taken met pen en papier. Het subjectief cognitief functioneren werd gemeten met vragenlijsten waarbij de ervaren klachten over de kwaliteit van leven werden bekeken. Objectief cognitief en subjectief functioneren werden gemeten op baseline (voor de start van de training of wachtperiode), na 12 weken trainen of wachten en 4 weken na afronding van de training.

De resultaten lieten zien dat alle groepen verbeterden op drie van de vijf executieve functie taken. Er waren ook verbeteringen te zien van de aandacht, het redeneren en de psychomotorische snelheid (bijvoorbeeld hoe snel iemand met een computermuis bepaalde vakjes kan aanklikken). De verbeteringen bleven gelijk gedurende 4 weken na afronding van de training. Echter, de interventiegroep verbeterde niet meer dan de twee controlegroepen. We vonden dus geen overtuigend bewijs voor verbetering van het cognitief functioneren door de training (omdat de groep die niets deed ook op dezelfde manier vooruitging dan de groep die de training deed).

Bij het subjectief cognitief functioneren (de vragenlijsten) zagen we vergelijkbare resultaten. Bij mensen met een beroerte verbeterden subjectief executief functioneren en subjectief cognitief functioneren (de scores verbeterden op twee vragenlijsten die het problemen in het denkvermogen maten), maar de vooruitgang was niet groter in de interventiegroep dan in de twee controlegroepen. De naasten van de deelnemers merkten ook geen verbetering op na de training of wachtperiode. Bij de gezonde oudere mensen zagen we geen verbetering na de training op subjectief functioneren. We hebben daarom geen overtuigend bewijs gevonden voor verbetering van het ervaren cognitief functioneren.

 

Klinische implicatie: Is hersentraining de toekomst?

Hoewel vele mensen over de hele wereld met computergestuurde programma’s trainen in de hoop hun cognitief functioneren te verbeteren, vonden wij geen overtuigend bewijs dat dit soort trainingsprogramma’s werken. Dit wil echter niet zeggen dat hersentraining nooit effectief zal zijn in het verbeteren van het cognitief functioneren of de kwaliteit van leven. Twee grote onderzoeken met gezonde senioren vonden dat cognitie kan verbeteren, maar de effecten waren klein en waarschijnlijk niet klinisch relevant.

 

We concluderen dat een veelbelovende, computergestuurde cognitieve flexibiliteitstraining geen beter herstel van executief functioneren na een beroerte teweegbrengt dan wanneer er geen training of een controletraining wordt gedaan. Helaas zijn wij dus, op basis van de resultaten van dit onderzoek, er niet van overtuigd dat het enkel doen van een computergestuurde cognitieve flexibiliteitstraining voor 12 weken in een klinisch relevante mate kan bijdragen aan herstel van niet-aangeboren hersenletsel.